Alle berichten door Rein

DERKSEN

Zijn hele leven heeft hij zich beziggehouden met drie dingen: voetbal, voetbal en nog eens voetbal. Als prof begon hij eind jaren ‘60 bij SC Cambuur, werd hoofredacteur van Voetbal International en is tegenwoordig wekelijks te zien in het (voetbal)praatprogramma Veronica Insite. Wie de biografie over Johan Derksen eenmaal heeft gelezen, komt tot de ontdekking dat niet voetbal maar muziek zijn werkelijke passie is. Het enige waar hij niet zonder kan in het leven is de blues en hij was ooit manager van Cuby and the Blizzards. Zanger Harry Muskee, een man wiens gebruiksaanwijzing zo dik was als het telefoonboek van Assen, was zijn beste vriend. Van hem leerde hij overal schijt aan te hebben.

Het boek is een coproductie van bestsellerauteur Michel van Egmond, die het verhaal optekent en Antoinette Scheulderman. Zij neemt de interviews voor haar rekening. Hierdoor wint het boek aan scherpte, want Derksen krijgt bij haar niet de gelegenheid zijn anekdotes routineus uit te serveren, maar wordt soms in een ongemakkelijke positie gemanoeuvreerd. Een beetje jammer is dat er geen vrienden, vijanden en collega’s aan het woord komen.

Wij konden slikken wat we wilden. Om half drie stond iedereen met uitpuilende pupillen aan de aftrap. En dan schopten we naar alles wat bewoog

De hoofdpersoon heeft niet alleen een grote mond: Op tv heb ik een bek als een scheermes, maar blijkt ook buitengewoon openhartig. Met Michel van Egmond worden de plaatsen bezocht die een belangrijke rol spelen in het leven Johan Derksen. De favoriete plek van ‘De Snor’ is zijn mancave, een met cd’s volgestouwd rookhol. Van Egmond is werkelijk geïnteresseerd in zijn hoofdpersoon. Hij graaft, maar is nooit op zoek naar het schandaal. Ook voor de voetbalnono’s onderhoudenede lectuur.

Eeuwig op de vlucht

Lange tijd was hij niet meer te zien op de Nederlandse televisie. Vorig jaar dook hij plotseling op in het spraakmakende programma Veronica Insite. Ongezouten spuwde hij zijn kritiek, kwam met constructieve ideeën en solliciteerde openlijk naar een plaats aan tafel. Even zagen we weer waarom deze man zo geschikt was voor het medium televisie.

Frank Kramer (1947-2020) was eigenzinnig en op een prettige manier onaangepast. Een echte vrijbuiter die geen talent had voor zwaarmoedigheid. Voetbalcommentator Philip Kooke schreef de biografie met de titel ‘Eeuwig op de vlucht’. Aan de hand van 37 korte hoofstukjes beschrijft hij het leven van iemand met vele talenten.

Kramer was o.a. profvoetballer, -zijn lust en zijn leven- ,televisiepresentator, leraar Duits en steward. In 1978 werd Frank regelmatig in verband gebracht met het Nederlands Elftal, niet in de laatste plaats door hemzelf. Vrouwen wandelden ongemerkt zijn leven binnen en liepen net zo hard weer weg. Zelf beëindigde Frank nooit een relatie. Aan het eind van zijn carrière werkte hij bij Eurosport als voetbalcommentator. Deze baan vulde hij- net als zijn overige betrekkingen- op geheel eigen wijze in:

Dit is weer die Martinez, die de onhebbelijke gewoonte heeft om telkens te scoren als ik aan het woord ben…

Philip Kooke heeft er een uniek boek van gemaakt dat boordevol staat met foto’s. Op elke bladzijde staan wel een aantal anekdotes. Met een beetje goede wil kun je dit een biografie in stripvorm noemen. Op de vraag of Frank wel weet dat hij een groene en een rode sok aan heeft antwoordt hij: “Wat leuk dat je dat vraagt, het gekke is dat ik thuis nog precies zo’n paar heb”. Het is het soort ontwapende humor waarvoor Toon Hermans zich niet zou schamen. Het boek staat er vol mee. Hoewel zijn privéleven en zijn werkzame leven uitgebreid aan bod komen dring je als lezer nauwelijks tot Frank Kramer door. En dat is goed, want hij hulde zich het liefst in nevelen.

Liefhebbers kunnen ‘Eeuwig op de vlucht’ hieronder reserveren.

Een onbeschaafde neurotische druiloor

Als oprechte Woody Allen fan ontkom je niet aan het lezen van zijn autobiografie À Propos. Toch heb ik wel even getwijfeld er een blogbericht aan te wijden. Dat heeft te maken met de onverkwikkelijke familiegeschiedenis die hem in 1991 plotseling ten deel viel. Zijn vrouw Mia Farrow beschuldigde hem toen van incest met haar dochter, nadat Allen haar had verlaten voor een andere vrouw. Waarheid of ultieme wraakoefening? De rechters stelden haar tot twee keer toe in het ongelijk, nadat verschillende onderzoeksrapporten aangaven dat er geen sprake was van misbruik. Wel leiden de valse beschuldigen tot een verschrikkelijke (sensatie)pers en enorme juridische kosten. Vanaf dat moment werden zijn films uitsluitend nog in het buitenland vertoond, in Amerika werd hij in de ban gedaan. Woody Allen ruimt niet minder dan een derde deel van het boek in om de lezer van zijn onschuld te overtuigen. En dat is veel in een autobiografie over een filmregisseur met 50 films achter zijn naam.

Opgegroeid in een Joods gezin uit de lagere klasse vult hij al snel de Broadwayrubrieken van alle kranten met comedy’s en oneliners. Ook is hij een veelgevraagde komiek. Zijn ouders zien het met lede ogen aan. Over alles zijn ze het oneens, behalve over Hitler en de rapportcijfers van hun jonge zoon.  Opvallend genoeg ziet Woody Allen zichzelf in de eerste plaats als schrijver en niet als filmregisseur. Hij schrijft vlot, relativeert zichzelf voortdurend en schotelt de lezer in À propos een verbazingwekkend verhaal voor, vol met anekdotes.

Ik ben slechts een onbeschaafde neurotische druiloor die sinds zijn 16e voort dobbert op zijn talent om te amuseren.

Zijn eerdere huwelijken en de acteurs waarmee hij samenwerkte worden uitgebreid besproken. Veel aandacht is er voor zijn persoonlijke en professionele relatie met Mia Farrow, de vrouw die zijn leven zo’n dramatische wending gaf. Van haar laat hij dan ook geen spaan heel. De lezer moet zich wel realiseren dat het zijn waarheid is.

Niet het applaus, maar de creatieve daad bij het maken van films staat bij deze iconische Amerikaan voorop. Ook met de grootste lof krijg je nog steeds artritis en gordelroos is de nuchtere verklaring van de man die vindt dat hij nog nooit een goede film heeft gemaakt. Als hij zijn leven over mocht doen, zou hij dan iets anders doen, stelt Woody Allen zichzelf de vraag. Ik zou niet die magische groentesnijder kopen die die gast op televisie aanprees, is zijn antwoord. Hiermee hebben we de toon van het boek goed te pakken. Zelfs bij serieuze zaken probeert hij met de nodige humor zijn levensangst te bezweren.

Eens ging de zee hier tekeer

Het dichten van de Afsluitdijk (1932) en de inrichting van de nieuwe Zuiderzeepolders kregen landelijk veel aandacht. Men geloofde in de vooruitgang en de focus lag op het nieuwe land. De plannen kwamen uit de koker van ingenieur Cornelis Lely, die de realisering van zijn levenswerk zelf niet meer meemaakte. Hij overleed in 1929. Voor de vissersfamilies uit de pittoreske Zuiderzeestadjes hadden de Zuiderzeewerken grote gevolgen. Er stroomde geen zout water meer in de Zuiderzee, het werkgebied werd kleiner en gemakkelijk uitvaren naar de Noordzee was er niet meer bij. De afsluiting had tot gevolg dat langs de boorden van de Zuiderzee duizenden gezinnen brodeloos werden.

De maakbaarheid die Nederland nastreefde , leek eerder te kunnen bewerkstelligd op de schone lei die de IJsselmeerpolders representeerden dan in de historische havenkommen van de Zuiderzee plaatsen. In de samengeknepen ogen van de vissersmannen gloorde niet de toekomst. Ze weerspiegelden het verleden.

Inderdaad, Eva Vriend kan schrijven! Eens ging de zee hier tekeer is een verhaal over eerlijke, hardwerkende mensen met veel gemeenschapszin, die geloofden in een toekomst in de visserij. Het leven en lot van deze kustbewoners was door het dichten van de Afsluitdijk met elkaar verbonden. Veel vissers waren door alle veranderingen genoodzaakt een beroep doen op de Zuiderzeesteunwet. Ze moesten zich laten omscholen en gingen op zoek naar ander werk. Aan de hand van vier families uit Wieringen, Volendam, Spakenburg en Urk vertelt de schrijver deze vaderlandse geschiedenis. Het is de rode draad in het boek, waarin ook andere families en verhalen aan bod komen.

Eva vriend is geboren en getogen in Luttelgeest en schreef in 2013 Het nieuwe land dat over de inpoldering van de toenmalige Noordoostpolder gaat. Voor Eens ging de zee hier tekeer dook de historica de archieven in, organiseerde vertelcafés en interviewde niet minder dan 100 mensen. Feiten en verhalen wisselen elkaar in hoog tempo af. De kracht van de schrijver is dat ze oprecht geïnteresseerd is in gewone mensen. Hoe brachten ze hun tijd door, wat waren hun problemen en wat was hun perspectief. Vooral de passages waarin ze beschrijft hoe de kotters op de Noordzee in zwaar weer terechtkomen zijn zowel meesterlijk als aangrijpend. Niets dan lof over dit grote verhaal, dat als geschiedenisboek in romanvorm is opgeschreven. Wel raak je zo nu en dan verstrikt in de vele personages met hun bijnamen, die worden opgevoerd.

Het is niet verwonderlijk dat dit kloeke werk de shortlist van de Libris Geschiedenis Prijs 2020 heeft bereikt. Het verhaal van de Zuiderzee en haar kust bewoners is een fascinerende geschiedschrijving. Ook als luisterboek te downloaden bij de bibliotheek.

‘In zekere zin ben ik onsterfelijk’

Johan Cruijff was mijn jeugdidool. Begin jaren ’80 heb ik hem een keer in levende lijve gezien in de wedstrijd PEC Zwolle- Ajax. Cruijff was vooral verbaal aanwezig en gaf voortdurend aanwijzingen. Twee keer leverde hij een voorzet af waaruit werd gescoord. Daarna hield de maestro het voor gezien en liet zich wisselen. Hij zat tenslotte in de nadagen van zijn carrière.

Over Johan Cruijff (1947 – 2016) zijn de nodige boeken verschenen. Auke Kok, één van de beste non-fictieauteurs van dit moment, schreef dé biografie over de legendarische nummer 14. Hij raadpleegde hiervoor minstens 160 interviews met vriend en vijand. Wanneer we het inlegvel met rectificatie -dat op last van de rechter is toegevoegd en de verkoop van het boek enorm opstuwde- meerekenen, telt het boek 640 bladzijden. Cruijff zou jaarlijks een miljoen euro ontvangen van zijn stichting, maar de auteur kon dit, ondanks raadpleging van drie onafhankelijke bronnen, niet voldoende waarmaken.

Het begint allemaal met de kleine Johan die opgroeit in Betondorp (Amsterdam) en nog maar twaalf jaar is als hij zijn vader verliest. Een dramatische gebeurtenis die bepalend is geweest voor zijn latere leven. Op de laatste bladzijden lezen we –vlak voordat Cruijff zelf op 68-jarige leeftijd komt te overlijden- over de ontmoeting die de beste Nederlandse voetballer ooit organiseert met Max Verstappen, de Formule 1 coureur voor wie hij grote bewondering koestert. In de tussenliggende periode gebeurt veel, heel veel.

Het levensverhaal van Cruijff gaat over een volksjongen die uitgroeit tot een mondiaal fenomeen. Een weergaloze voetballer, maar wel altijd gelazer, vaak over geld. Zijn sterke persoonlijkheid moest je in z’n geheel accepteren anders leefde je op voet van oorlog. Want Cruijff had altijd gelijk. Met Rinus Michels ontwikkelde hij een haat-liefde-verhouding. De generaal noemde hem zelfs een psychopaat. De trainer Cruijff krijgt relatief gezien de minste aandacht in het boek, maar kennelijk kwam de deadline van het manuscript in zicht. Cruijff als familieman valt enigszins van zijn voetstuk als blijkt dat hij tijdens de trainingskampen van Barcelona in Drenthe het damesgezelschap niet schuwt. Hij blijkt ook gewoon een mens van vlees en bloed… Doet het vermelden van dit feit afbreuk aan de mythevorming rond het fenomeen Cruijff? De schrijver vindt van niet, want het boek is niet bedoeld als hagiografie, doch slechts als levensbeschrijving.

Wat mij na lezing van deze monumentale biografie vooral bijblijft is dat Cruijff een leven lang werd nagejaagd door bestuurders, zakenmensen, media, voetballers, supporters etc. Ze moesten allemaal iets van hem. Je vraagt je werkelijk af waar hij de energie vandaan haalde dit aan te kunnen. Auke Kok heeft het allemaal prachtig opgeschreven. Om met een bekende Nederlandse Volksschrijver te spreken; dit boek maakt alle boeken overbodig, behalve het telefoonboek en De Heilige Schrift.

 

 

 

Een doodgewone jongen uit Utrecht

Hij is niet iemand die graag in het middelpunt van de belangstelling staat en heeft aan het geven van interviews een broertje dood. Ook laat de geboren Utrechter nooit het achterste van zijn tong zien. Met het verschijnen van de autobiografie Basta is daar een einde aan gekomen. De lezer krijgt het complete verhaal voorgeschoteld: rauw, eerlijk, openhartig en onthullend. Niemand wordt gespaard.

Door de weinig harmonieuze gezinssituatie grijpt Marco van Basten de voetballerij aan om het ouderlijk huis zo snel mogelijk te ontvluchten. Zijn ouders hebben een slecht huwelijk en de dominante vader heeft geen oog voor de andere kinderen in het gezin. Misschien dat hier zijn sterke focus om de beste voetballer van de wereld te worden, is geworteld.

Met enige overdrijving kun je zeggen dat de enkel het hoofdpersonage van het boek is geworden; het is in ieder geval de leidraad. Een onschuldige overtreding in de wedstrijd tegen FC Groningen leidt sluipenderwijs het einde van zijn voetbalcarrière in. Op slechts 28-jarige leeftijd wordt de voetballer Van Basten ten grave gedragen; als mens moet hij door.

Veel ruimte is er ingeruimd voor Johan Cruijff. Wat aanvankelijk zijn idool is en later zijn medespeler en trainer wordt uiteindelijk een goede vriend. De heren raken gebrouilleerd en Cruijff overlijdt in 2016. Toch wordt de vriendschap postuum weer enigszins hersteld. Het is één van de aangrijpendste passages uit het boek. Opvallend genoeg komen Ruud Gullit en Frank Rijkaart, zijn makkers bij AC Milaan, nauwelijks in het verhaal voor. Vol lof en weinig kritisch is Van Basten over de omstreden mediamagnaat Silvio Berlusconi. Deze puissant rijke zakenman is eigenaar van AC Milaan en zorgt voor een vorstelijk salaris. Door verkeerde beleggingen slinkt het miljoenenvermogen van de Milanese spits met bijna de helft, juist op het moment dat de Italiaanse fiscus bij hem aanklopt.

De meeste mensen kennen Marco van Basten slechts als de gevierde voetballer die successen heeft behaald met Ajax, AC Milan en het Nederlands Elftal, maar een lofzang op deze prachtige voetballer is het boek  nadrukkelijk niet geworden. Uitgebreid vertelt Van Basten over zijn faalangst, spanningen en depressies, maar ook over zijn weinig geslaagde trainerscarrière. Persoonlijke ontwikkeling neemt een belangrijke plaats in. Hij werkt keihard aan zichzelf, kan meedogenloos zijn en doet aan zelfreflectie. Ik ben de beste, op mijzelf na is één van zijn gevleugelde uitspraken. Deze autobiografie is ook voor de niet voetballiefhebber interessant om te lezen.

Basta gaat over een doodgewone jongen uit Utrecht die toevallig aardig tegen een balletje kon trappen, maar aan wie het circus rondom het voetbal niet is besteed. Door alle tegenslagen in zijn leven is hij –naar eigen zeggen- een prettiger mens geworden.

 

Dit is een goed stel hoor

Blijven hangen in het verleden raadt de schrijver niemand aan, maar zo nu en dan even omkijken kan een genoegen zijn. In Dit is een goed stel hoor blikt sportjournalist Theo Reitsma terug op 50 jaar sportgeschiedenis. Hij doet dit aan de hand van anekdotes en opvallende ervaringen van voornamelijk Nederlandse sporters op evenementen waar hij zelf nauw bij betrokken was.

Boek Theo ReitsmaTheo Reitsma werd veelal gezien als de beste commentator. Hij was in ieder geval mijn favoriete sportverslaggever. Uitstekend voorbereid,  nieuwsgierig en beschikkend over een arendsoog. Met liefde voor de sporten die hij volgde: voetbal, atletiek, honkbal en boksen. In dienst van de kijker zag hij het commentaar puur als ondersteuning van het beeld, zonder opsmuk en tierelantijnen en vooral niet om zelf de eerste viool te spelen. Slechts een enkele keer ging hij uit zijn dak; toen Marco van Basten in de finale van het  EK ’88 een prachtig doelpunt maakte:

GOED, OOHHH WAT EEN GOAL! WAT EEN SCHITTEREND DOELPUNT ZEG. JA, NIET TEGELOVEN ZOALS IE DIE BAL UIT DE LUCHT OPPAKT IN DIE HOEK DAAR. NIET TE GELOVEN WAT EEN WEERGALOOS DOELPUNT!

Of toen Ellen van Langen de 800 meter won op de Olympische Spelen van Barcelona ‘92. Sommige uitspraken zijn historisch geworden en komen in het boek terug. Op het WK voetbal van 1986 waren er nog niet zoveel camera’s en er was nog geen VAR. Maradona scoorde tegen Engeland en Reitsma riep resoluut; “En ik zeg hands”. Hij zat in de nok van een groot stadion, maar had het als een van de weinigen bij het rechte eind. Maradona beweerde later dat hij met de hand van God had gescoord.

Reitsma toont in het boek interesse voor de mens achter de sporter en heeft oog voor de politieke situaties, zoals de aanslag van de Palestijnen op de Israëlisch (Olympische Spelen München 1972) en de dwaze moeders tijdens het totalitaire regime van generaal Videla in Argentinië  (WK voetbal 1978). Ook krijgt de lezer een kijkje in de keuken van de sportredactie van de NOS. Met de afgeronde verhalen levert Reitsma vakwerk zoals we dat van hem gewend zijn. De titel van het boek verwijst naar het Europees Kampioenschap ‘88 waarop het winnende Nederlands Elftal op een bankje een feestje viert en Reitsma opmerkt: “Dit is een goed stel hoor”.

Na een gedegen HBS-B opleiding ontwikkelt Reitsma zich bij verschillende dagbladen in de (sport)journalistiek. Vanaf 1969 wordt Studio Sport zijn werkterrein met voetbal en atletiek als specialiteiten. Toch heeft honkbal zijn grote voorliefde en hij beleeft zijn ‘finest hour’ als het Nederlands honkbalteam het niet te kloppen Cuba een nederlaag toebrengt op de Olympische Spelen 2000  in Sydney. Na zijn carrière wordt Reitsma voorzitter van de Nederlandse honk- en softbal bond als waardering voor al zijn inspanningen en om de sport smoel te geven. In 2004 ontvangt hij de ere Nipkowschijf voor zijn hele oeuvre.

Duister hoofdstuk uit de Amerikaanse geschiedenis

De nieuwste roman van Colson Whitehead is een op ware gebeurtenissen gebaseerd verhaal dat zich afspeelt in de vroege jaren zestig ten tijde van de Jim Craw-rassenwetten in de Zuid-Amerikaanse staat Florida. Elwood Curtis, de zwarte hoofdpersoon in De jongens van Nickel, is zes wanneer zijn ouders hem in de steek laten. Voor hem is dat het moment waarop hij zich van de wereld bewust wordt. Hij groeit op bij zijn oma, haalt goede cijfers op school en besluit te gaan studeren. De grijs gedraaide langspeelplaat met speeches van dr. Maarten Luther King, vormt een bron van inspiratie:

Er zijn grote krachten die de Neger eronder willen houden, zoals de Jim Crow-wetten, en er zijn kleinere krachten die je eronder willen houden, zoals andere mensen, en tegenover al die krachten, de grote en de kleine, moet je je weerbaar opstellen en je gevoel voor eigenwaarde bewaren.

Een lift naar zijn nieuwe hogeschool wordt Elwood fataal.  Na een onterechte beschuldigd van diefstal  belandt hij op de Nickel Academy, een tuchtschool waar zwarte jongens aan het sadisme van hun witte bewakers zijn overgeleverd. Marteling, misbruik en corruptie zijn aan de orde van de dag. Voor hem is er nog maar één houvast, zijn vriend Turner, die net als hij wil ontsnappen uit deze gruwelkamer.

Colson Whitehead is een echte storyteller. Hij neemt de lezer mee in een mensonterend verhaal dat het voorstellingsvermogen te boven gaat. De ontknoping kan met een gerust hart schokkend worden genoemd. De schrijver toont weinig emotie en presenteert de gebeurtenissen als koele feiten. Dat hij de neiging heeft uit te weiden over allerlei randzaken die nauwelijks iets toevoegen aan het eigenlijke verhaal mag ook als een minpuntje worden beschouwd, maar doen geen werkelijke afbreuk aan deze roman.

Oud-president Barack Obama noemt dit boek een must read en de Volkskrant kent vijf sterren toe. Voor dit duistere hoofdstuk uit de Amerikaanse geschiedenis en voor racisme in het algemeen mag onze aandacht nooit verslappen.

Colson Whitehead is een gevierd auteur in de Verenigde Staten en reist de wereld over om zijn werk te promoten. Zijn vorige boek, De ondergrondse spoorweg gaat over slavernij en werd bekroond met de National Book Award.

“In het eeuwige strijdgewoel van man en vrouw ben ik een onnozele”.

Van schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer, die binnenkort 80 jaar wordt, is Canaille -het derde deel in de Odyssee serie- verschenen. De cyclus begint met Fernweh over de familiegeschiedenis van zijn ouders en Loes Hamel, de liefde van zijn leven staat centraal in Sirenen (deel twee). De boeken zijn goed afzonderlijk van elkaar te lezen.

We schrijven 1967, het is een chaotische tijd en de relatie met top mannequin Loes Hamel loopt op haar laatste benen. Jan Cremer besluit het vaderland achter zich te laten en zijn geluk in de Verenigde Staten te beproeven. Hij strijkt neer op Cape God, een schiereiland in de Staat Massachusetts, waar de gemeenschapszin nog zeer hecht is. Aan vrouwelijk schoon geen gebrek, de ik-figuur wisselt de relaties met zijn geliefden net zo makkelijk in als een klant de volle spaarkaart bij de plaatselijke buurtsuper.

Maar dan wordt het serieus. De hoofdpersoon verovert de adembenemend mooie ballerina Perrine, verbonden aan het New Yorks Ballet en afkomstig uit België. Zij wordt zijn nieuwe liefde en met de komst van dochter Camille lijkt de schrijver gesetteld. Maar geldgebrek en de verleiding door andere vrouwen stelt de relatie zwaar op de proef. Er ontwikkelt zich een enorme machtsstrijd, die prachtig wordt beschreven. Gesteund door de vlotte pen van Jan Cremer wordt de lezer meegesleurd in dit aangrijpende verhaal, waarin de schoonfamilie zich als zijn grootste vijand ontpopt. Ondertussen leert de schrijver de duistere kanten van zijn aanstaande echtgenoot steeds beter kennen.

Was het eerste bezoek van zus Betty al een teken aan de wand, met de eerste blik op mijn toekomstige schoonouders wist ik dat het met Perrine voorbij was, dat ik vrouw en kind kwijt was

Ondanks alle problemen trekt de schrijver de wereld over en blijft hij positief gestemd. Regelmatig hanteert hij de overtreffende trap zoals we dat van hem gewend zijn. Hij heeft al een sigaret in de mond nog voor hij ’s ochtend zijn ogen opent, in het casino jast hij al z’n geld erdoor om vervolgens een dure vakantie naar Scandinavië te boeken en aan de voortdurende verleidingen van een aan hem toegewezen beeldschone literair agente geeft hij niet toe. Prachtig beschreven, maar niet erg geloofwaardig. Toch komt hij ermee weg, want de schrijver heeft de sympathie van de lezer allang gewonnen.

Canaille is nauwelijks een roman te noemen. Het is een onweerstaanbare liefdesgeschiedenis gegoten in een soort dagboekvorm met genummerde hoofdstukken. Cremer hanteert in het boek een vlotte rechttoe-rechtaan-stijl en neemt geen blad voor de mond. Het neerzetten van karakters en de prachtige landschapsbeschrijvingen verraden zijn vakmanschap. Alles wordt met de nodige bravoure aan het papier toevertrouwd, maar als je het boek dichtslaat heeft de stoere macho man toch iets van zijn glans verloren.

 

Serotonine

Wakker worden is het pijnlijkste moment van de dag lezen we op de eerste bladzijde van Serotonine, de nieuwste roman van de Franse schrijver Michel Houellebecq. Om die zware horde te verlichten is het reservoir van zijn koffiezetapparaat de avond tevoren al gevuld met water en het filter met gemalen koffie. Met één druk op de knop is de koffie klaar en wordt het tijd voor een sigaret en een antidepressivum in de vorm van een Captorix-tablet, dat de afscheiding van het gelukshormoon serotonine moet verhogen.

Serotonine is niet wat je noemt een vrolijk boek, al valt er genoeg te lachen. De depressieve ik-figuur is de zesenveertig jarige Florent-Claude Labrouste, het alter-ego van de schrijver. Hij blikt terug op zijn leven en vraagt zich af waar het mis is gegaan. De gestrande relatie met zijn hartsvriendin Camille drukt zwaar op zijn gemoed. Hij is nooit in staat geweest richting te geven aan zijn leven en slikt pillen die zijn libido zwaar hebben aangetast, terwijl het bestaan van vrouwen de enige drijfveer in zijn leven lijkt te zijn. Een tikkeltje vrouwonvriendelijk is de hoofdpersoon wel, voor hem zijn de dames –net als cafeïne en nicotine- vooral een genotmiddel.

Een regelrechte pageturner is Serotonine evenmin. De misantropische hoofdpersoon maakt nauwelijks een ontwikkeling door, klaagt voortdurend over zijn omgeving en is niet in staat enige verandering in zijn leven aan te brengen. Zijn beperkte binding met de buitenwereld kalft gaandeweg steeds verder af.

“Ik reed in een 4×4 diesel –ik had dan misschien niet veel goeds gedaan in mijn leven, ik had toch in elk geval bijgedragen aan de vernietiging van de planeet”.

Toch wil je als lezer weten hoe het verhaal afloopt. Slaagt hij erin het contact met Camille te herstellen, brengt een bezoek aan Ameyric, een vroegere vriend van adellijke komaf, misschien uitkomst? Of worden totale eenzaamheid en vergankelijkheid werkelijk zijn deel? Door de goede schrijfstijl is dit boek een genot om te lezen. De ironische passages zijn talrijk en als lezer vraag je je voortdurend af; meent de schrijver dit nou of word ik op de hak genomen? Houellebecq heeft zo’n mooie pen dat het in feite niet uitmaakt waarover hij schrijft, al mag het hier en daar wel iets minder grof.